My Blog

My WordPress Blog

OPZEGGING BIJ FAILLISSEMENT

van openbaar belang op vordering van het Openbaar Ministerie (zie art. 1 FW). Voor faillietverklaring is vereist dat marginaal blijk wordt gegeven van feiten en omstandig- heden welke aantonen dat de schuldenaar in bovengenoemde toestand verkeert. Als
een schuldeiser een verzoek doet om de schuldenaar in staat van faillissement te ver- ldaren, moet hij overigens wel aantonen dat hij een vorderingsrecht op de schuldenaar  heeft (zie art. 6 FW). Het faillissement houdt in dat er beslag wordt gelegd op het hele
vermogen van de schuldenaar om onder de schuldeisers te verdelen. Hij heeft geen be- heer en beschikking meer over zijn vermogen. De schuldeisers verliezen hun recht om zelf de schuldenaar aan te spreken over het betalen van de schuld. De rechter stelt een curator aan die het beheer en de beschikking krijgt over de boedel. Het is zijn taak om  de boedel in geld om te zetten en uit de opbrengst daarvan de schuldeisers te voldoen.
Voordat het geld over de schuldeisers verdeeld kan worden, moeten wel eerst nog de zogenoemde boedelschulden voldaan zijn. Als uitgangspunt geldt dat alle schuldeisers  gelijk zijn. Maar de wet geeft aan dat sommige schuldeisers weer voorrang hebben bo- ven andere. Bovendien kunnen sommige schuldeisers hun vordering uit de boedel houden en buiten het faillissement om verhalen op de schuldenaar. Dit zijn de pand- en hypotheekhouders. Deze schuldeisers worden de separatisten genoemd.”‘

Eigen regeling voor de opzegging

Opzegtermijn maximaal zes weken De Faillissementswet188 heeft een eigen regeling voor de opzegging van de arbeidsover-
eenkomst als er sprake is van een faillissement. Zowel de werknemer die in dienst is van de failliete werkgever als de curator kunnen de arbeidsovereenkomst, ook die wel-
ke is aangegaan voor bepaalde tijd, opzeggen. Daarbij moeten de overeengekomen of de wettelijke opzegtermijnen in acht worden genomen (zie 4.6). Voor beide partijen geldt dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval kan worden opgezegd met een termijn van zes weken (zie art. 40 lid 1 FW).189 Dat betekent dus dat het niet van belang is of de overeengekomen of de wettelijke opzegtermijn langer is. Het betekent ook dat de dag
waartegen kan worden opgezegd waarvan in art. 7:672 lid 1 Burgerlijk Wetboek (zie 4.7) sprake is, niet mag leiden tot een opzegtermijn die langer is dan zes weken. Met andere woorden: de opzegging kan plaatsvinden tegen elke dag van de week of de
maand.19°

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *